D''n Baltus

In het verleden was de herder hier een vertrouwd beeld. Talrijke kleine kuddes graasden dagelijks op de dreven stoppelvelden en de heide.  Een ritueel dat onlosmakelijk verbonden was met het landbouwsysteem van voor de kunstmest, het potstalsysteem.

D’n Baltus was zo’n herder.  Zijn echte naam was Jan. Hij stamde uit het schapenhouders geslacht  van de Sangen.  Van z’n 12de jaar af heeft hij in deze omgeving de schapen gehoed. Op 17 juni  1983  is hij op 88 jarige leeftijd overleden. Tot die tijd was hij voor iedereen een geliefd baken onderweg. Hij was “ginne proater”, maar had de  wijsheid en het verhaal die horen bij iemand die 75 jaar lang één is geweest met zijn kudde, hond en de natuur.  D’n Baltus, genoemd naar zijn grootvader Balthasar van de Sangen, heeft een bijzonder stukje Skèndelse geschiedenis geschreven.

 

 

 

Uit: Schijndels Weekblad, juni 1983, als afscheid bij zijn overlijden

DE KUDDE ZONDER HERDER

Op 17 juni 1983 overleed op 88 jarige leeftijd “Den Baltus”, de Wijbosche schaapsherder Jan van de Sangen. Velen zullen zich de herder goed herinneren; immers vanaf zijn 12de jaar was Jan al herder, stammend uit een geslacht van schapenhouders. Vroeger toen het verkeer in Schijndel nog niet zo intens was, trok de herder dagelijks door Schijndel, vanuit Wijbosch richting Gemonde. Alle kinderen mochten de herder en hij wist zich bij iedereen  geliefd te maken. Ongetwijfeld herinneren zich velen, dat hij altijd een lammetje beloofde als er om gevraagd werd. Het was altijd “de volgende keer” of “ met de volgende Pasen”. Het was echter een antwoord waarmee iedereen tevreden was. “Den Baltus” een bijnaam, die hij overerfde van zijn grootvader die namelijk Balthasar v.d. Sangen heette, bezat veel mensenkennis en een grote wijsheid, zeker niet onderdoend voor de gestudeerde mens van vandaag. Hij wist prachtige verhalen te vertellen over vroeger en deed dit dan ook met de nodige humor.

Een mens die toch meestal alleen was met zijn schapen en zijn hond. En schaapshond africhten is een kunst op zich, die Den Baltus goed verstond; met veel geduld leerde hij de honden zich alleen met de kudde bezig te houden. Was er dan nog een schaap ongehoorzaam, dan wist de herder met een feilloze worp het afgedwaalde schaap terug te roepen. Hij gebruikte daarvoor een scheperschopje en een kluitje aarde. De kudde is nu zonder herder; Jan we zullen je missen. Met het heengaan van Den Baltus is tevens een stuk Schijndelse historie verdwenen en dat stemt weemoedig.

 

De herder

Voor d’n Baltus, schaapherder

 

Boven ’t altijd zich bewegend

Blatend, vretend wit gedierte,

Met de wol in vette slierten,

Zongebleekt en nat verregend,

 

Torent hoog de herder uit.

Blazend op zijn rieten fluit

Gooit hij met ’t schepersschopje

Aarde voor zijn schapen uit.

 

Wakend ligt de herdershond.

Na een klein gebaar van handen

Rent hij langs prikkelranden

En markeert de weidegrond.

 

Driekwart eeuw en zonder haast

Van het Wijbosch naar de heide,

Veld na veld en wei na weide

Waar zijn kudde golvend graast.

 

Bruin verweerd en parelgrijs

Hoort hij nooit de mensen praten,

Maar alleen zijn schapen blaten.

Is hij dáárom ook zo wijs?

 

Uit: “Hoogzomer” van Louis Schröder,